Dinner by candlelight
2007


Gekleed in een zeeblauwe jurk die tot aan haar enkels reikte bewoog ze zich rustig naar de grote gereserveerde ronde tafel. Er was veel zorg besteed aan het dekken van de tafel. Precies de juiste afstand tussen het servies, net als de glazen en het bestek, niets was aan het toeval overgelaten.
De beide zilveren kandelaars maakte het geheel nog completer, even als de biedermeiertjes die professioneel waren geschikt.. Haar gedachten voerden haar terug naar haar jeugd. Levendig zag ze het beeld van haar oude wijkje en de mensen die zichzelf in armoede moesten zien te redden. Ze vroeg zich af hoeveel er zich uit die situatie hadden kunnen werken. De armoede houdt zichzelf meestal in stand. Er was discipline en kracht voor nodig om zich uit deze situatie te werken om maar te zwijgen over de eenzaamheid die de verschillende werelden met zich meebracht.
De jurk waarin ze zich niet prettig voelde, probeerde ze zo netjes en comfortabel mogelijk uit te strijken. Ze wachtte net zolang tot de andere hadden plaatsgenomen.
Een ober liet de lucifer langs de lontjes van de kaarsen zweven, tipte het even aan en een gele vlam ontwaakte. Hij reikte de gasten een menukaart aan. Ook haar werd er vriendelijk één aangeboden.
'De kreeft is hier optimaal mevrouw,' glimlachte hij haar toe.
Ze knikte verlegen en keerde weer terug in haar wereldje. Het geroezemoes verstomde toen ze verzonk in haar gedachten om terug te keren naar een andere wereld dan waar ze zich nu in bevond.

± Vijfenveertig jaar terug.


Als veertjes dwarrelde de sneeuwvlokken naar beneden. Sofie tuurde vanachter het raam naar de besneeuwde straat. Ze zag een aantal van haar buurkinderen een glijbaan maken. Sommige stonden nog wat wankel op hun benen, maar al snel hadden ze hun evenwicht gevonden en één voor één gleden ze achter elkaar over de baan. Bram zwaaide naar haar en wuifde of ze ook kwam. Ze schudde haar hoofd en stak haar tong uit om te laten zien dat ze er geen zin in had.
Een moment liet ze haar blik op haar benen vallen. Wreef er een paar maal over, nam de deken en wikkelde deze rond haar koude voeten.
Toen ze opkeek zag ze haar overbuurvrouw voorovergebogen over de tafel staan. Sofie drukte haar neus tegen het glas en zag het licht van opvlammende kaarsen. Een geeloranjeachtige gloed dat zich tussen de kristalsierende sneeuwvlokken een weg baande, bescheen de omgeving met hun spelende kinderen. Het gehele plaatje leek zo uit een sprookjesboek te komen. De sneeuw die nog steeds naar beneden dwarrelde, de spelende kinderen en het licht van de opvlammende kaarsen, mummelde ze.
'Als ik hier een foto van zou kunnen maken, wordt het vast de foto van de eeuw,' en opnieuw probeerde ze haar voeten warm te wrijven.
Oh jee, ik moet Japie en Lientje nog te eten geven,' en ze rende naar het hok dat voor de felle kou in het schuurtjes was geplaatst. Een winterpeen die ze van de groenteboer had gekregen, brak ze in twee stukken en gaf beiden konijnen de helft.
Japie die het nieuwsgierigst was, zette zijn pootjes tegen het gaas en met zijn neusje besnuffelde hij haar vingers.
'Hier Japie, een lekker stukje winterpeen. Ja jij ook Lientje, niet zo ongeduldig,' ze opende het hok en legde de peen voor haar snuitje.
'Wat ben je al groot geworden. Eten jullie maar goed dan blijf je gezond.'
Ze voelde de kou en stampvoetend om warm te worden, ging ze weer snel naar binnen.
'Gelukkig hebben ze een dikke vacht tegen de kou,' fluisterde ze. 'Brrr wat is het koud!'
Ze pakte de deken en sloeg deze rond haar schouders. Snel ruimde ze de rommel op die haar broertjes en zusjes gemaakt hadden en besloot om weer naar buiten te kijken. De straat was leeg en in de verte hoorde ze de torenklok acht uur slaan. 'Oh jee, is het al zo laat.'
Ze staarde naar de spelende vlammetjes van de kaarsen aan de overkant. En in het licht van deze kaarsen kon ze de buurtjes goed onderscheiden. In gedachten probeerde ze te bedenken waar ze het over konden hebben en voelde door haar dagdromen de pijn van de kou niet meer.
Zo nu en dan aten ze wat van het voedsel wat zij had opgediend en ze schenen in een liefdevol gesprek te zijn verwikkeld. De man boog zich voorzichtig naar voren en kuste haar op de mond. Liefdevol streek zij op haar beurt door zijn haren. Ze liet haar ogen nog eenmaal langs de straat glijden, toen ze plots een paar mensen luidruchtig het raam passeerde.
'Moet je daar eens kijken. Dat stel is verliefd. Zag je dat,' zei een man die gearmd liep met een jonge dame. 'Ze kusten elkaar. Jeetje wat gezellig zo met al dat licht.'
'Dat is nou eens romantiek. Ik zie jou dat niet doen, terwijl wij vrouwen dat nodig hebben. We hebben een mooie kandelaar, maar de kaarsen zijn onderhand zo oud geworden dat ze in plaats van wit, bruin geworden zijn. Loop nou maar door. Jij moet nog veel leren als het om romantiek gaat.'
Toen ze uit het zicht verdwenen waren, kwam er een glimlach rond haar mond. Wat zij aan de overkant zag was dus heel bijzonder. Het heette romantiek begreep ze eruit. Nou hier in huis is er niets van terug te vinden, nee integendeel. Ze trok haar knietjes op en nestelde zich in de hoek van de versleten bank. Vanuit haar plekje kon ze nog net naar buiten kijken en dook zachtjes weer in haar droomwereldje. Een droomwereld die haar naar een zelfstandig bestaan bracht en waarin ze de oplossing zocht om ooit uit haar huidige situatie te komen.
Plotseling hoorde ze een indringend gekrijs, maar kon niet achterhalen waar het geluid vandaan kwam. Het was maar goed dat ze op dat moment niet wist wat er zich achter in het schuurtje plaatsvond.

'Geen probleem, het is zo gefikst. De man opende het konijnenhok en pakte de konijnen één voor één bij de oren en sloeg er met een eind hout op. Even sloeg hij mis, maar de volgende klap was raak. Hij bond hun pootjes bij elkaar en overhandigde deze aan de man die voor het hekje van het erfje stond te wachten. Deze haalde wat geld uit zijn zak en nam de konijnen van de vader van Sofie over.
'Bedankt hè, en verdween in de duisternis.
Twee broertjes van Sofie hadden vanuit hun slaapkamerraam gezien dat hun vader de konijnen aan de man had gegeven en rende naar de woonkamer.
'Sofie, Sofie papa heeft onze konijnen verkocht,' riepen ze in paniek.
Even dacht ze dat ze een geintje maakte, maar ze zag de paniek in hun kleine oogjes, dus rende ze naar buiten. Daar zag ze nog net haar vader achter het schuurtje verdwijnen. Ze voelde de onmacht in zich opkomen en was bang dat haar broertjes gelijk hadden. En ja hoor, de hokken waren inderdaad leeg.
'Papa heeft ze aan een man verkocht,' snikte één van haar broertjes.
Zwijgend keek ze naar het hok. De peen die ze nog geen half uurtje geleden had gegeven was nog niet voor de helft opgegeten. Ze voelde de tranen in haar ogen branden. Het vloeide over haar wangen en voelde zelfs de kou aan haar voeten niet meer. In paniek rende ze de kant op waar ze hoop de man nog tegen te kunnen houden, maar hij was nergens meer te bekennen. Haar vader zag ze nog net om een hoek verdwijnen en ze wist maar al te goed waar het geld bleef dat hij voor de konijnen had gevangen. Regelrecht naar de kroeg. Verslagen wandelde ze terug en zag haar broertjes huilend voor het lege hok staan.
'Mag ik de winterpeen Sofie, vroeg één van haar broertjes. 'De konijnen komen toch niet meer terug'
'Kom op jongens, gauw naar binnen jullie en naar bed. Japie en Lientje komen heus wel weer terug. Papa heeft ze alleen maar even uitgeleend,' ze pakte van beiden een handje en wandelde naar de keukendeur. Samen zongen ze nog een liedje over een konijntje dat op de trommel sloeg en bracht ze naar hun bedje.
'En nu slapen. Ga lekker onder de dekens, want het wordt vannacht heel erg koud,' en gaf ze een nachtkus.
Voordat ze weer op haar vertrouwde plekje op de bank ging zitten, wilde ze eerst even bij haar moeder kijken. Haar moeder was hoogzwanger en de baby kon elk moment komen.
'Is alles klaar voor de baby. Heb je de was van vandaag nog gedaan. Veeg ook de sneeuw nog even van de stoep en erf achter de keukendeur weg. Je weet hoe je vader te keer kan gaan.
Wil je nog even een bakje koffie voor me maken?'
Voordat ze naar de keuken ging wilde ze nog even kijken of haar broertjes inmiddels in slaap waren gevallen. Ze schrok toen één van de twee niet in zijn bedje lag. Ze trok haar schoenen aan en ging naar buiten. Al snel vond ze hem en zag hem ijverig in de sneeuw aan het spelen.
'Moet jij niet in je bed liggen. Kom op, ben je nou helemaal belaadtafel!'
'Kijk nou Sofie, ik heb een sneeuwhut gemaakt. De meester heeft gezegd dat het binnen in een sneeuwhut veel warmer is dan onder een deken. Ach toe nou, mag ik hier slapen?'
'Laten we dat maar niet doen, misschien vergist de meester zich wel. Laten we je nou maar gewoon in je eigen bedje leggen. Ik denk dat je eerst heel goed moet leren hoe je een sneeuwhut moet maken voordat je er echt in zou kunnen slapen.'
Toen ze weer terug naar huis liepen, kwamen ze langs het huis van de buurtjes die nog steeds aan hun rijkelijke maaltijd bezig waren. De geur van kip in lekkere sausen drong hun neus binnen.
'Ruik eens Sofie, wat ruikt dat lekker hè,' fluisterde haar broertje?
Ze aaide over zijn bol, nam zijn hand en het water liep beiden uit hun mond.
Ja dit was nog eens wat anders dan de boterham met alleen maar margarine die zij vanavond hadden gekregen en hongerig wandelde ze naar huis.
Ze bracht haar broertje weer naar zijn bed en wreef nog even zijn beentjes warm.
Beneden in de keuken draaide ze het gas dat het water in de wasteil opwarmde uit. Ze moesten zuinig zijn met het gas. De flessen waren toch al zo snel op. Al enkele weken hadden ze geen gas meer via het net. Normaal gesproken maakte ze het putje gewoon open wanneer ze het gas hadden afgesloten en dan draaide je de kraan gewoon weer open. Deze keer had het elektriciteitsbedrijf daar een stokje voor gestoken. Ze hadden een gat gegraven en een stukje uit de leiding gezaagd.
Ze deed de was zoals haar moeder haar dat had geleerd, op een wasplank en een wasborstel.
Op de hardnekkige vlekken smeerde ze een beetje sunlightzeep en dan borstelde je het vuil er meestal wel af. Het naspoelen was het vervelendste; dat water was zo koud. Na het spoelen hing ze de was buiten, waar het al snel zo stijf als een plank aan de lijn hing.
Vermoeid nam ze plaats op haar vertrouwde plekje bij het raam.
Verschikt zag ze twee mannen in uniform voor de deur staan. Eén van hen haalde een boekje uit zijn binnenzak van zijn warme overjas.
'Dit is het adres waar we moeten zijn,' zei één van hen.
Zo laat nog op pad, dacht Sofie,' en had geen idee wat ze nu moest doen. In haar kleine hoofdje tolde het en ze wist dat de problemen zich bleven opstapelen. En ook begreep ze dat zij weer een deel ervan moet oplossen. Althans ze zou erop uitgestuurd worden.
Haar moeder lag moe en hoogzwanger op bed. En er was niemand die hulp aanbood. Logisch men bleef niet aan de gang. Er was altijd wel wat. Even twijfelde ze nog of ze wel open zou doen.  Ze kenden de beide heren maar al te goed. Nee, deze keer zouden ze geen genoegen nemen met haar verhaal dat haar moeder niet thuis was. Haar broertjes zouden wakker worden van het rumoer en dat zou nog triester zijn. Even hoopte ze dat ze bij het verkeerde adres waren, maar deze hoop werd al snel de das om gedaan. De deurbel rinkelde en angstig stond ze op.
Schoorvoetend opende ze de deur en zag de mannen haar zwijgend aankijken. Dit was weer eens één van die keren dat de mannen een hekel aan hun werk kregen.
Het gebeurde vaak dat de deur werd geopend door een kind met de mededeling dat papa en mamma niet thuis waren. Inmiddels hadden ze een beroepsmasker gecreëerd, anders zouden ze eraan onderdoor gaan, maar het bleef moeilijk.
'Is je vader of moeder thuis,' vroeg één van hen.
Ze keek de mannen even zwijgend aan. In het schijnsel van de lantarenpaal probeerde ze de mannen te herkenen. Eén van hen was een enorme grootte en breed geschouderde man. Waarschijnlijk was deze speciaal om zijn postuur uitgekozen om dit werk te doen. De andere man was een lange magere. Hij was altijd degene die aan het woord was en geen genoegen nam met 'nee'!
Meestal kwamen de heren vroeg in de ochtend, maar soms veranderde ze van tactiek en kwamen ze laat in de middag of vroeg in de avond. Waarschijnlijk omdat de meeste niet open deden als ze in aantocht waren. Wanneer ze herkend werden dan ging het als een lopend vuurtje dat de heren van het G.E.B. eraan kwamen. Wanneer zij waren gesignaleerd waarschuwde de buurtjes elkaar.
'Mijn moeder ligt al op bed, ze is erg moe,' probeerde ze de man te overtuigen in de hoop dat ze een andere keer terug zouden komen.
"Ga haar toch maar even halen,' zei de magere man.
Sofie ging naar de slaapkamer, waar haar moeder een diepe zucht slaakte toen ze haar aanhoorde.
'Waarom heb je niet gezegd dat ik niet thuis ben. Je weet toch wat ze willen. Vraag maar of ze een andere keer terug willen komen.'
'Dat doen ze niet mam. Ze deden dat de vorige keer ook niet en toen wilde ze naar binnen. Kom op mam. Dat weet je toch nog wel.'
'Nou goed, ik ga wel,' en haar dikke onderbuik vasthoudend liep ze al sloffend naar de deur.
'Goede dag heren, wat is er aan de hand?'
'Wel mevrouwtje, wat mij betreft niets. Tenzij u deze rekening niet direct betaalt, anders zullen wij u moeten afsluiten.'
'Dat kan niet, u ziet toch wel dat ik op alle dag loop.'
'Ja, dat zien wij ook wel, maar u zult toch echt moeten betalen. Dit is al de tweede keer dat we bij u langskomen en de vorige keer had u beloofd deze rekening zo snel mogelijk zou betalen. Helaas is de rekening nu alleen maar opgelopen. U heeft in die tussentijd toch u kinderbijslag gekregen, daar had u de rekening van kunnen betalen. Als u deze nu niet direct betaalt, zullen we u toch echt moeten afsluiten.'
Verslagen ging ze opzij. Ze begreep dat ze er deze keer niet onderuit kwam. Haar hersens pijnigde ze met de vraag waar ze het geld vandaan moest halen. De man had gelijk. Het bedrag liep alleen maar op. Ook het afsluiten bracht kosten met zich mee. Ze had de rekening inderdaad moeten betalen toen de kinderbijslag kwam, maar ja, toen moest de huurachterstand ook al betaald worden. Moe slofte ze achter hen aan.
De lichtmeter bevond zich in de huiskamer direct in het hoekje naast de deur.
Sofie keek de mannen en haar moeder verschikt aan en begon zachtjes te huilen.
Ze was moe en wist dat de nieuwe baby elk moment geboren zou kunnen worden. Vandaag hadden ze ook al geen geld gehad om boodschappen te kunnen doen. Weer tolde haar hoofdje en raakte in paniek.
'Maar u kunt het licht niet afsluiten. Mamma krijgt gauw haar baby. We kunnen u niet betalen. Er was vandaag niet eens geld om aardappelen en groenten voor ons te kopen.'
De man keek haar somber aan, aaide over haar bol en zei. 'Moet jij nog niet in je bed liggen?'
'Nee hoor, ik help mamma,' en weer rolde de tranen over haar wangen.
Ze zag dat de man in zijn binnenzak naar iets zocht en haalde er zijn portemonnee tevoorschijn. Pakte er een rijksdaalder uit en gaf deze aan haar.
'Hier, koop hier morgen maar een brood en melk voor. Hebben jij en de andere kinderen in ieder geval morgen iets te eten.'
Verbaast keek Sofie naar de rijksdaalder in haar handje en zachtjes stamelde ze.
'Maar die kan ik u niet teruggeven hoor.'
'Dat hoeft ook niet, hij is voor jou.'
Snel kneep Sofie haar handje toe. Stel je voor dat hij de rijksdaalder terug wilde.
Intussen was de andere man bezig het licht af te snijden. Toen hij klaar was, vulde hij een formulier in en gaf deze aan haar moeder.
'Zo mevrouwtje, met dit formulier kunt u naar het hoofdkantoor om de rekening te betalen en dan komen wij zo snel mogelijk het licht weer aansluiten. Probeer in het vervolg de rekeningen op tijd te betalen dat bespaart u en ons veel leed.
Haar moeder knikte van schaamte, liet de mannen uit en hoorde nog net de ander zeggen.
'Ik durf erop te wedden dat de rest van de adressen die we nog moeten aflopen niet thuis zijn. Misschien dat we die morgen maar een bezoekje moeten brengen.'
In het licht dat de lantarenpaal verspreiden, bekeek Sofie de rijksdaalder. Morgenochtend zou ze er meteen een brood en een pak hagelslag voor kopen. Dan hoefde de kinderen in ieder geval niet met een lege buik naar school. Nog eenmaal bekeek ze de rijksdaalder, stopte hem in haar schortzakje en wandelde naar het schuurtje. Misschien had ze gedroomd en zaten Japie en Lientje gewoon in hun hokje. Maar algauw begreep ze dat het de werkelijkheid was, ze waren weg. Nu begreep ze waar het gekrijs dat ze eerder op de avond had waargenomen vandaan was gekomen. Gelukkig hadden haar broertjes het gekrijs niet gehoord. Nee ze zou ze nooit meer terug zien. Dat wist ze maar al te goed.
Achter haar hoorde ze het hekje kraken dat uit haar gedachten haalde. Toen ze opkeek zag ze haar vader in de sneeuw liggen, waarvan de dranklucht haar tegemoetkwam.
Zachtjes ging ze naar binnen en nam plaats in een donker hoekje. Haar vader kwam waggelend de kamer binnen en struikelde een paar keer voordat hij in de slaapkamer verdween. Zachtjes klom ze de trap op en keek of de andere kinderen sliepen. Toen ze daar zeker van was, wandelde ze opgelucht naar de kast. Pakte een kaars die ze nog over hadden van de vorige keer toen ze van het licht afgesneden waren en liep ermee naar de huiskamer. Voorzichtig stak ze het lontje aan en met een paar druppels vet dat ze op een schoteltje liet druppelen, zette ze de kaars vast.
Het mooie grote sprookjesboek dat ze eens van de buurvrouw had gekregen, sloeg ze open en probeerde in het zwakke licht één van de verhaaltjes te lezen. Ze kende ze bijna allemaal uit het hoofd. Ach, want ze had het boek al zo vaak gelezen.
Vermoeid wreef ze in haar ogen en legde het boek opzij. Ging weer in haar hoekje zitten en met haar ellebogen op de vensterbank tuurde ze naar de overkant. Daar branden de kaarsen nog die op de tafel stonden, maar er was nu ook een zee van licht van de brandende lampen in de kamer. Het deed zelfs het licht van de lantarenpaal in het niets verdwijnen. Er ging een rilling door Sofie, toen ze zag dat haar kaars nog maar een stompje was. Het flikkerde en liet een zwarte walm opstijgen.
Wat zat de wereld toch raar in elkaar en wat was de wereld krom. Voor de één bracht kaarslicht gezelligheid en romantiek en voor de ander was het pure armoede, dacht ze.
Ze wierp nog één blik op het stel dat het samen zo fijn hadden. Ze kende ze wel en waren altijd heel vriendelijk voor haar. Van hen had ze het mooie sprookjesboek gekregen en af en toe konden ze samen ook heel gezellig babbelen. Het was een leuk stel dat komt wel goed daaraan de overkant. Haar ogen werden zwaar. Ze sloeg de deken stevig rond haar lichaam en viel in slaap.

Sofie, zal ik de wijn bij laten schenken. Kijk nou, je hebt nog niets gegeten. Sla je deze gang over', hoorde ze vragen.
Ze kwam terug in de werkelijkheid en bekeek haar gezelschap. Voelde zich schuldig omdat ze zo afwezig was geweest. Ze keek haar tafelheer aan en zei: 'Sorry, ik was even met mijn gedachten elders." Ze wenkte naar de ober. Die schonk haar glas zoals hij dat geleerd had bijna vol en op haar beurt bedankte ze hem vriendelijk.
Ze keek in het rond en bedacht dat ze ondanks haar moeilijk start toch een hoop geluk heeft gehad. Iets om dankbaar voor te zijn.


Einde.